dinsdag 20 oktober 2009

Herman Paul en de rol van de kerk in contextualisatie

Herman Paul, universitair docent geschiedfilosofie aan de Universiteit Leiden, pleitte onlangs, op het lustrumcongres van het CSFR-dispuut Ichthus in Rotterdam, voor een nieuwe contextualisatie van het christelijk geloof in Nederland. De cultuur is zo veranderd – postmodernisme is het wachtwoord – dat gezocht moet worden naar een herijking van het geloof in relatie tot die culturele filosofie.

Paul noemt een aantal belangwekkende zaken in zijn toespraak, die in samenvatting in het Reformatorisch Dagblad van 17 oktober stond. Ik wil op een paar daarvan hier kort reageren.
In alle tijden hebben christenen deze vraag naar contextualisering gesteld. Toen Augustinus zijn Belijdenissen schreef, ging hij in gesprek met het Griekse denken van zijn tijd. In Calvijns Institutie klinkt het humanisme van de renaissance door. En de gereformeerde ambtsleer van Calvijn en Beza is toegespitst op vroegmodern Europa (een samenleving waarin vrijwel geen buitenkerkelijken bestonden).

Hij heeft daarin volstrekt gelijk. Zelfs als theologen en kerken menen dat ze ‘slechts de oude Bijbelse waarheid’ verkondigen, gebeurt dit altijd op een manier die reageert op en die tot op zekere hoogte past bij hun context. De vraag is niet of we het evangelie contextualiseren, maar in hoeverre we dat op een goede manier doen.

Paul zegt dan: Het “komt het erop aan onze culturele context te peilen. Niet om daar vervolgens klakkeloos in op te gaan, maar om te zien hoe geloof en kerk in deze situatie, tegen deze achtergrond, in de taal van deze tijd gestalte kunnen krijgen.” We moeten onze context peilen, ik ben het daar mee eens, maar hier wordt het wel lastig. Want wat is onze culturele context? Mijns inziens is dat niet alleen de prevalerende culturele filosofie van de tijd waarin we ons bevinden, maar net zo goed de culturele context van de kerk waartoe we behoren. En die van de Kerk elders op de wereld, en die van de Kerk uit vroeger tijden. We maken als Kerk immers onderdeel uit van die ‘gemeenschap van alle heiligen’?

Volgens mij kan goede contextualisatie nooit zo plaatsvinden dat het tot een breuk met de Kerk der (eigen) vaderen zorgt, of voor een breuk met de Vaders van de Kerk. Om het maar rechtuit te zeggen: we kunnen, we mogen geen theologie ontwikkelen die de eenheid van de kerk schaadt, ook al is dat missiologisch aantrekkelijk om postmoderne buitenkerkelijken te bereiken. Ik heb de indruk dat de kerken van de reformatie hier een probleem hebben. Ze staan veel meer open voor aanpassingen aan de filosofie van vandaag dan ze zelf beseffen, omdat ze niet werkelijk verankerd zijn in de kerk van het verleden. Ik vind het in elk geval opvallend dat Paul dit aspect niet noemt, hoewel hij verder goede criteria voor gezonde contextualisatie noemt.

Paul is van mening dat “postmoderne gereformeerden hun contextualisering onophoudelijk willen laten corrigeren door Gods Woord. Onophoudelijk, omdat dit proces van toetsing nooit is afgelopen. De Bijbel is immers veel rijker dan een formule waarmee je kerk en theologie kunt beoordelen. Ons verstaan van de Bijbel blijft voortdurend in beweging. Daarom komt het aan op trouw. Trouw om niet te roepen: „Nu wil ik een definitief antwoord!” maar om de beweging van Bijbel naar postmoderne tijd telkens opnieuw te maken.”

Ik heb moeite met deze formulering, en wel om twee redenen. Ten eerste is de suggestie dat de bijbel toch wel iets heel anders te zeggen heeft tegen mensen anno 2009 dan tegen de oude kerk. Wie de geschriften van de oude kerk leest, merk juist hoe hetzelfde geloof en dezelfde kwesties daar resoneren. Vragen over zonde, en verlossing, en wie Jezus Christus is, zijn van alle tijden. Dat we soms voor een wat andere formulering kiezen is duidelijk – maar die mag wat mij betreft nooit een streep zetten door hoe de Kerkvaders diezelfde kwesties aan de hand van de bijbel begrepen.

Mijn tweede, verwante, punt van kritiek is, dat de uitspraak van Paul wel erg suggereert dat we vanuit onze moderne tijd de bijbel moeten herlezen, en dat we de boodschap van de bijbel vandaag weer gestalte moeten geven in een soort voortgaande dialoog tussen cultuur en bijbel. Ik vrees dat de protestantse geschiedenis laat zien, dat dit tot immer voortgaande versplintering van de Kerk van Christus leidt. Het gaat wat mij betreft niet om een dialoog; gezonde contextualisatie is het trialogisch proces. We moeten de kerk van het verleden en de wereldkerk ook in dit proces betrekken. Dat is een meer traditionele en communitaire vorm van theologiseren die de kerk samenhoudt en niet doet vallen voor elke nieuwe filosofische stroming.

Daarom zie ik liever dat in het proces van contexualisatie, niet alleen de bijbel als zodanig onze gesprekpartner is. Ik geloof in Sola Scriptura, maar de Schrift wordt niet goed begrepen door haar buiten de traditie van de Kerk te lezen. Weliswaar zegt Paul dat voor postmoderne gereformeerden de kerk een centraal thema is “omdat zij de gemeenschap is waarin ethische bezinning en morele vorming behoren plaats te vinden.” Dat ben ik van harte met hem eens; het proces van contextualisatie is niet een kwestie van bevlogen eenlingen, maar een proces dat zich in de boezem van de kerk zelf hoort af te spelen. Echter, als dat niet breder is dan onze eigen kerk waarmee we vertrouwd zijn, vrees ik dat dit onvoldoende weerstand oplevert tegen een contextualisatie die uiteindelijk het evangelie geen recht meer doet. Ik meen dat we ons niet kunnen veroorloven een theologie te ontwikkelen die zich buiten de kaders van de brede bedding van de theologie van de gehele kerkgeschiedenis plaatst. Ik ben benieuwd wat Paul’s ideeën hierover zijn.

Geheel terecht spreekt hij over de profetische rol van het evangelie in de cultuur: “Christenen worden niet geroepen zich aan te passen. Ze worden geroepen het Woord toe te passen op de situatie waarin ze leven. Aan de ene kant betekent dit dat postmoderne gereformeerden, vanuit het levensbesef van hun tijd, vragen zullen stellen aan de Bijbel waarover moderne gereformeerden nooit hebben nagedacht. Maar omgekeerd zullen ze, met de Bijbel in de hand, de postmoderne cultuur tegen de haren willen instrijken. Postmoderne gereformeerden zijn ook kritisch op het postmoderne levensgevoel.”

Juist het begrip van de kerk staat in het postmodernistische geloven onder druk. Het begrip van individualiteit is zo heilig in het postmodernisme, dat het moeite lijkt te hebben met het concept van gemeenschap. Paul wijst terecht op dit probleem. De gelovigen in de Kerk van Christus zijn niet een verzameling knikkers in een knikkerzak; het zijn aan Christus en aan elkaar verbonden mensen die niet kunnen bestaan zonder elkaar. Paul zegt het mooi:
Wie zijn individualiteit belangrijk vindt, heeft moeite met gemeenschappen. Daarom is postmodern gereformeerd-zijn, ten slotte, een oefening in toevertrouwen. Eerst aan God, vervolgens aan de gemeenschap van de kerk. Dit laatste, moet ik zeggen, vind ik zelf het lastigst. Het valt niet mee mijn eigen ik te verloochenen, mijn eigen ideeën ondergeschikt te maken aan die van mijn kerkelijke gemeente.

Heel terecht noemt hij de lakmoesproef voor een postmoderne gereformeerde kerk: of haar leden niet alleen trouw zijn en vertrouwen hebben, maar zich ook concreet durven toevertrouwen aan het lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Maar dan moet het daarbij wel heel duidelijk gaan om de gemeenschap van de hele Kerk, en niet alleen het kerkverband of de lokale gemeenschap die toevallig geheel die van onze eigen keus is.

Een (kortere, en vast betere) versie van dit artikel staat in het Reformatorisch Dagblad van 23 oktober 2009

zaterdag 10 oktober 2009

Voor wie werden de Evangeliën geschreven?

Richard Bauckham, ‘For whom were the Gospels written?’, in Richard Bauckham (ed), The Gospel for all Christians; Rethinking the Gospel Audiences (Grand Rapids, 1998), pp. 1-48.

De bijna algemene vooronderstelling gedurende de afgelopen decennia onder theologen die schrijven over de vier Evangelien, is dat elk Evangelie niet slechts is ontstaan binnen de specifieke christelijke gemeenschap waartoe de schrijver behoorde, maar dar die zijn schrijfsel ook specifiek aan die plaatselijke gemeenschap heeft gericht, met zijn eigen tamelijk specifieke context en karakter. Er bestaat een sterke consensus hierover onder moderne exegeten, maar die vooronderstelling wordt eigenlijk door niemand serieus verdedigd met goede argumenten. Het lijkt vooral 'vanzelfsprekend'.

Bauckham bestrijdt dit uitgangspunt, en argumenteert dat een evangelist die zijn Evangelie schreef, verwachtte dat zijn werk wijd onder de kerken zou worden verspreid, en dat hij geen christelijk publiek in het bijzonder op het oog had, maar zich voor ogen stelde dat elke kerk (of elke kerk waar Grieks werd begrepen) het publiek was waar zijn Evangelie terecht zou komen. (p. 11)

Gecolg van deze vooronderstelling is, dat de meeste huidige geleerden die een Evangelie bespreken, alle verhalen uit dat Evangelie zien als concrete informatie over de aard van de gemeenschap waarvoor dat Evangelie werd geschreven. Het zijn geen biografien meer over Jezus (wie kan hem immers kennen?) maar het zijn in wezen biografien van die christelijke gemeenschap geworden. Daarmee worden de verhalen over Jezus in wezen allegorien over de gemeenschap en ze hebben hun informerende karakter over wie Jezus was, verloren. (p. 20)

Het literaire genre van de Evangeliën is veel ter discussie geweest, maar momenteel is toch wel met zekerheid vastgesteld dat de tijdgenoten van de Evangeliën die zouden hebben bestempeld als het genre van de Grieks-Romeinse biografie. Het is onwaarschijnlijk dat iemand in die tijd zou vermoeden dat een biografie de specifieke omstandigheden van een kleine gemeenschap van lezers zou bespreken. (p. 28) Bovendien, als de Evangelieschrijvers zich alleen op hun eigen gemeenschap richtten waar ze altijd al preekten, waarom zouden ze dit dan op schrift stellen? De overduidelijke reden voor schrijven was nu juist om andere gemeenschappen dan de eigen te bereiken. (p. 29)

Bauckham toont vervolgens zeer overtuigend aan, dat de vroege christelijke beweging niet uit geïsoleerde gemeenschappen bestond die op zichzelf aangewezen waren, maar dat het tegendeel waar was: het ging om een netwerk van gemeenschappen die in voortdurende communicatie met elkaar stonden. Met andere woorden, het sociale karakter van het vroege christendom was zodanig dat het idee om een Evangelie te schrijven dat alleen voor de eigen gemeenschap was bedoeld, erg onwaarschijnlijk is. (p. 30) Bauckham bewijst zijn stellling met zes argumenten:

1. De communicatie en mobiliteit in het Romeinse rijk was buitengewoon hoog.
2. De vroege christelijke gemeenschap had een sterk besef dat het een wereldwijde beweging was.
3. De christelijke leiders die we uit het Nieuwe Testament kennen, reisden door het hele rijk.
4. Gemeentes hadden de gewoonte om brieven die ze ontvingen, ook aan andere gemeentes door te sturen.
5. We hebben bewijs uit de periode dat de Evangeliën werden geschreven dat kerken door her Romeinse rijk nauwe kontakten onderhielden.
6. Tussen de verschillen christelijke gemeenten bestonden allerhande verschillen van mening die werden bediscussieerd. De gemeenschappen waren niet introvert, maar gingen ook in geval van meningsverschillen, intensief met elkaar om.

Bauckham concludeert dat het idee dat Matteüs, Marcus, Lucas of Johannes een Evangelie schreven dat zuiver voor hun eigen gemeenschap was bedoeld, ook in die tijd bij niemand op zou komen. ‘De bewijslast ligt bij degenen die menen dat dit wel zo was.’ (p. 44)

Bauckham komt met zes hermeneutische conclusies.
1. De poging om de zgn. ‘gemeenschappen’ van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes een sleutelrol te geven in de hermeneutiek voor de exegese van die Evangeliën, is misplaatst.
2. Het beoogde publiek was divers, en maakt duidelijk dat het onmogelijk is om uit de Evangeliën de concrete elementen te distilleren van de gemeenschappen waar de Evangelie-schrijvers bij hoorden.
3. De context van de Evangeliën is van groot belang, maar die is niet de kleine gemeenschap waar de schrijver bij hoorde, maar de brede beweging van het christendom in het tweede deel van de eerste eeuw.
4. We hoeven niet langer te veronderstellen dat alle Bijbelwetenschap over de Evangeliën tot die van de vorige eeuw, onbruikbaar is.
5. Voorgaande betekent niet dat we de diversiteit van de Evangeliën ontkennen, maar wel dat dit gebaseerd zou zijn op de exclusieve diversiteit van de gemeenschappen waartoe de schrijvers behoorden.
6. De vergissing van mensen die menen dat de exegese van de Evangeliën geheel samenhangt met het kennen van de specifieke gemeenschap waarin ze ontstonden, hangt samen met de wens om de sociale en historische context van de Evangeliën zo nauwkeurig mogelijk te kennen. Dit is een misplaatste wens. Dat is niet omdat het kennen van de historische context niet van belang is, maar omdat het de aard van het literaire genre van de Evangeliën miskent. Dat zijn open teksten die niet ingaan op zeer concrete omstandigheden maar die een breek publiek als lezers veronderstellen.

Met de 'gewone' historische en literaire manier van lezen van de Evangelien, plaatst Bauckham mijns inziens de bijbelwetenschap weer veel meer op een zuiver wetenschappelijke voet. Het idee dat je een tekst die op het oog biografisch is, naar hartelust gaat allegoriseren, toont weinig respect voor die tekst - zeker niet aangezien duidelijk is dat de eerste lezers in de oudheid de tekst als biografie van Jezus beschouwden. Bauckham's pleidooi klinkt buitengewoon redelijk en zorgt dat de gewone lezer van de Evangelien die teksten weer kan lezen zoals dat 19 eeuwen lang gedaan is: als een beschrijving van het leven en de woorden van Jezus.

Dit hoofdstuk van Bauckham is trouwens gebaseerd op een lezing van hem (of omgekeerd?) die HIER kan worden gevonden.

maandag 5 oktober 2009

Wat is traditie?

Enkele gedachten waar ik nog eens verder over wil peinzen:

Dankzij de Parakleet zal het altijd voor volgende generaties mogelijk zijn om dezelfde ervaring te hebben van de Opgestane die werd beleefd door de apostolische gemeenschap aan het begin van de kerk, aangezien het worden doorgegeven en geactualiseerd in het geloof, de eredienst en de gemeenschap van het Volk van God die op pelgrimsreis door de tijd is. [Paus Benedictus XVI, The Apostles (Hungtington, 2007), p. 27, naar een lezing van de paus op 26 april 2006]

De apostolische Traditie van de Kerk bestaat in [het] doorgeven van de zaken betreffende de behoudenis die, door de kracht van de Geest, de christelijke gemeenschap de permanente actualisatie van de oorspronkelijke gemeenschap maakt. [Paus Benedictus XVI, The Apostles (Hungtington, 2007), p. 28]

[De] permanente actualisatie van de actieve aanwezigheid van de Heer Jezus temidden van zijn volk, teweeggebracht door de Heilige Geest en tot uitdrukking gebracht in de Kerk door de Apostolische bediening en de broederlijke gemeenschap is de betekenis van de term “Traditie”. Het is niet slechts de materiële doorgave van wat in het begin aan de Apostelen was gegeven, maar de effectieve aanwezigheid van de Gekruisigde en Opgestane Heer Jezus die de gemeenschap die hij bijeen heeft gebracht begeleidt en leidt in de Geest. [Paus Benedictus XVI, The Apostles (Hungtington, 2007), pp. 29-30]

Traditie is niet de overdracht van dingen of woorden, een verzameling dode dingen. Traditie is de levende rivier die ons verbindt met de oorsprong, de levende rivier waarin de oorsprong altijd aanwezig is, de grote rivier die ons naar de poorten van de eeuwigheid voert. En omdat dit zo is, worden in deze levende rivier de woorden van de Heer onafgebroken waargemaakt: “Ik ben altijd met u, tot het einde van deze eeuw.” [Paus Benedictus XVI, The Apostles (Hungtington, 2007), p. 31]

[De apostelen,] na eerst getuigenis voor het geloof in Jezus Christus te hebben afgelegd in geheel Judea, en daar kerken te hebben gesticht, gingen vervolgens de wereld in en preekten dezelfde doctrine van hetzelfde geloof aan de volken. Op dezelfde manier stichtten ze Kerken in iedere stad, waar [vervolgens] de andere Kerken, de een na de ander, de traditie van het geloof en de zaden van de doctrine hebben ontvangen, en nog iedere dag ontvangen, opdat ze Kerken worden. Inderdaad, het is alleen dankzij dit, dat ze in staat zullen zijn zichzelf te beschouwen als apostolisch, omdat ze zijn voortgebracht door apostolische Kerken. [Tertullianus, De Praescriptione Haereticorum, 20: PL 2,32]

zaterdag 3 oktober 2009

De Bijbel lezen door de ogen van de Kerk

De Heilige Schrift is aan het volk van God geadresseerd om het te leiden in haar eredienst, leven, en getuigenis. Met andere woorden, de Heilige Schrift is niet in de eerste plaats aan individuen, of aan alle mensen, gegeven. De individu is dus nooit de ultieme gezaghebbende exegeet van de bijbel, maar de gemeenschap van de Kerk heeft dat gezag.

Als jonge gelovige werd mij geleerd dat ik de bijbel moest lezen als een persoonlijke brief van God aan mij. Een soort liefdesbrief. Het heeft me jaren moeite gekost om te ontdekken dat de bijbel in de eerste plaats aan de gemeenschap van gelovigen is geaddresseerd, en niet aan mij als individu. Dat maakte het begrijpen van de bijbel een hele kluif...

Een belangrijke heremeutisch principe lijkt me, dat we moeten onderzoeken en zien hoe de Schrift door de eeuwen heen door de Kerk is begrepen. Ja, natuurlijk, ik weet ook wel dat op het niveau van details veel verschillen bestaan, maar er is toch een ‘Regel van het Geloof’ ontstaan in de vroege christelijke eeuwen, aan de hand waarvan de Kerkvaders in staat waren ketterijen duidelijk te benoemen.

We moeten ook aandacht geven aan hoe de wereldwijde Kerk de Schriften heeft verstaan, ook na de grote Kerkscheuringen. Alleen als we ontkennen dat andere Kerkgemeenschappen dan de onze evengoed het Lichaam van Christus zijn, kunnen we ons de luxe veroorloven niet naar hen te luisteren.

Na de apostolische periode bleef de Heilige Geest de Kerk leiden. De consensus van de oude Kerk zorgde dat wij de canon van de Heilige Schrift ontvingen, maar die oude Kerk gaf ons ook een omvattend begrip voor hoe we die Schrift moeten verstaan. Dat deed het zowel door het theologiseren in het algemeen, waarvan we heel veel boeken bewaard hebben, maar bovenal door de oecumenische concilies. Ons vandaag-de-dag aansluiten bij de traditie van exegese van de oude Kerk, bewaart ons voor al te grote theologische misstappen en het zorgt dat we met ons kerkelijke bootje anno 2009 binnen de bedding van de rivier van de algemene christelijke kerk blijven.

Als we niet vertrouwen dat de Heilige Geest de Kerk, ook in de na-apostolische tijd, bleef leiden, zouden we elke generatie opnieuw moeten vaststellen wat de canon van de bijbel is, wanneer we Pasen vieren, hoe we als Kerk denken over de naturen van Christus, etc etc. Het waren kerkhistorisch juist de scheuringmakers zoals Marcion die van mening waren dat ze het recht hadden om wat betreft canon en theologie het wiel opnieuw uit te vinden.

Hebben de uitspraken van kerkvaders dan evenveel betekenis als de Schrift zelf? Nee, niet natuurlijk. De Kerk heeft niet het recht om te leren wat haaks staat op de duidelijke betekenis van de Schrift, en ook niet om zulke leringen aan de gelovigen op te dringen alsof het om de Schrift gaat. Maar het is ook logisch om vast te stellen dat naarmate de kerkvaders dichter bij de bron zaten (bijvoorbeeld de apostelen nog hebben gekend, of onderwezen zijn door mensen die van de apostelen zelf hun onderwijs hadden gekregen) waarschijnlijk in grote lijnen beter begrepen wat de Heilige Schrift betekende, dan theologen die eeuwen later de bijbel uitlegden.

Wie dus tegenwoordig beweert dat hij de Schrift uitlegt, kan dat alleen met gezag doen als hij of zij niet veronachtzaamt hoe de Heilige Schrift door de vroege Kerk – de oecumenische, katholieke Kerk, is verstaan. Een verkondiging die daarvan afwijkt, is niet in overeenstemming met de Schrift en met het algemeen (katholiek) christelijk geloof.

Ik geloof helemaal in Sola Scriptura – de Schrift alleen, als leersnoer voor leer en leven, maar dan niet losgemaakt van de geschiedenis van de exegese van de vroege Kerk.

zondag 27 september 2009

Een mismaakte Jezus

Ik kwam vandaag een interessante uitspraak tegen - iets wat je bij wijs van spreken elke zondag in een preek kan horen, ongeacht waar je kerkt:
Het Koninkrijk van God [...] is in staat in hun ziel binnen te dringen en wordt door hen welkom geheten. Het Koninkrijk van God is de heerschappij van God, inderdaad, maar het is de heerschappij van de heilige God in individuele harten.
Het gaat God om de individu, toch? Dat klinkt heel mooi, maar de bron van het citaat moet ons erg voorzichtig maken. Dit zei de grote vrijzinnige theoloog Adolf van Harnack in 1899 in een van zijn lezingen over de essentie van het christelijk geloof. Hij constateerde dat het christelijk geloof draait om de individuele relatie van mensen met God.

Me dunkt dat deze individualistische visie op het christelijk geloof gerust een ketterij mag worden genoemd. De boodschap van het Evangelie wordt geheel verkeerd begrepen als het wordt losgemaakt van de gemeenschap van de Kerk. Het idee dat je Jezus, het hoofd van de Kerk, kunt kennen zonder Zijn Lichaam, de Kerk, is een ernstige misvatting. Dan heb je een mismaakte Jezus op het oog.

Individualisme is een sociaal drama; het versplintert de samenleving. Je kunt een persoon toch nooit los denken van zijn gehele context van familie, vrienden, sportclub, kerk, etc? De mens zien als geheel autonoom wezen is een filosofisch wangedrocht dat voor de belastingdienst misschien handig is, maar voor ons zelfbeeld en onze eigenwaarde tenslotte destructief. Als ik mezelf probeer voor te stellen zonder mijn omgeving, ben ik zo goed als niets.

De Drie-enige God is een liefdevolle gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest, en die gemeenschapszin heeft zich uitgedrukt in de schepping. Individualisme is dus ook een theologisch drama. Het is een abberatie van het bijbelse mensbeeld, dat niet geheel verwonderlijk, erg realistisch is. Daarom is het idee dat mijn geloof iets is dat alleen tussen mij en God bestaat, een verdraaiing van het Evangelie. Het gaat God inderdaad om personen, om een ieder, om elk mens, maar dan wel om elk mens in diens eigen context, en met als doel dat ieder mens in de nieuwe gemeenschap, de Kerk, zijn of haar plaats vindt.

Het individualisme is een enorme kracht onder Westerse christenen, en de ecclesiologie - de theologie over de Kerk - is het kind van de rekening. Voor de Kerk in het algemeen, maar ook voor de lokale gemeente, is maar weinig plaats. Is dat waarom veel kerken worden bevraagd door hun leden of ze wel genoeg 'te bieden' hebben? De Kerk is er om ons te behagen, lijkt de gedacht. Ze is er om ons te geven waar we behoefte aan hebben, en anders blijven we wel thuis. Je kan immers ook op TV naar de nodige kerkdiensten kijken?

De Kerk van Jezus Christus is geen utilitaire club van gelijkgezinden. Je wordt er ook niet zomaar 'lid' van; het is de moeder die ons als gelovigen voortbracht. Bij uitstek in het Lichaam van Christus werkt de Geest om ons bij de Vader te brengen en te houden, en alleen samen met alle heiligen kunnen we de liefde van God kennen. Dat is een goede reden om als christenen te strijden tegen het individualisme dat ons zo enorm in het bloed lijkt te zitten, en om als Kerk op elk niveau te laten zien dat mensen werkelijk beter worden van leven in gemeenschap met God en met elkaar.

Tenslotte een mooi citaat van Paus Benedictus XVI, uit zijn boek The Apostles (Huntington, 2007), p. 13:
We kunnen Jezus niet hebben zonder de realiteit die hij schiep en waarin hij zichzelf communiceert. Tussen de vleesgeworden Zoon van God en zijn Kerk bestaat een diepe, onverbrekelijke en mysterieuze continuiteit waardoor Christus vandaag aanwezig is onder zijn volk.

zaterdag 12 september 2009

Habermas: secularisering was een eenzijdig westers ideaal

De Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas sprak in Tilburg over de plaats van religie in 'de postseculiere samenleving', zoals hij dat noemt. "Religie heeft haar publieke betekenis niet verloren. De secularisering was een eenzijdig westers ideaal."

Al bijna vijftig jaar pleit Jürgen Habermas (79) voor een publieke opinie die zich over maatschappelijke vraagstukken uitspreekt, waarbij het debat niet wordt overgelaten aan deskundigen en politici. Maar die publieke opinie moet volgens hem 'goed geïnformeerd' en weloverwogen zijn.

Het viel te verwachten dat iemand in de universiteitsaula in Tilburg aan de oude filosoof de vraag zou stellen: "Wat denkt u van het gedoe rond de anti-islamfilm van Geert Wilders?" Habermas benadrukte dat vrijheid van meningsuiting een hoog goed is, maar dat Wilders met zijn film te ver gaat door bewust de provocatie op te zoeken.

"Het heeft alleen maar zin om te provoceren als er geen andere middelen zijn om de discussie over een belangrijk maatschappelijk thema aan te zwengelen', aldus Habermas. 'Hier in Nederland is er geen behoefte aan dit soort provocatie. De discussie over de islam staat in dit land, mede door de dood van Theo van Gogh, al uitgebreid op de politieke en maatschappelijke agenda. Het is geen onderwerp meer dat dringend onder de aandacht moet worden gebracht. Provoceren heeft alleen zin als men precies kan aanduiden waarom de noodzaak van de provocatie zo hoog is. Ik heb Wilders niets in die zin horen formuleren."

Habermas is de laatste nog levende vertegenwoordiger van de zogenaamde Frankfurter Schule. Hij staat niet bepaald bekend als een toegankelijke denker. Zijn ruim 1100 pagina's tellende standaardwerk Theorie des kommunikativen Handelns verwierf daarom de bijnaam 'het blauwe monster'. Toch geniet hij wereldwijd een enorme faam. De Nexus-lezing in Tilburg, met meer dan 1000 bezoekers, was weken van tevoren uitverkocht.

De maatschappij en de samenlevingstheorieën kritisch doorlichten door er innerlijke tegenstrijdigheden in bloot te leggen, dat was de bedoeling van de Frankfurter Schule. En dat doet Habermas na al die jaren nog altijd. Hij zag in de jaren zestig de samenleving bedreigd door technocratische ontwikkelingen, en pleitte toen voor een kritische wisselwerking tussen wetenschap en politiek.

De laatste jaren pleit Habermas voor een betere wisselwerking tussen religie en politiek. De moderne samenlevingen noemt hij 'postseculier', waarmee hij verwijst naar een bewustzijnsverandering. "In postseculiere samenlevingen weet de religie haar publieke betekenis te handhaven. De secularistische overtuiging dat religie door een versnelde modernisering zou verdwijnen, verliest terrein."

Bron: www.knack.be

dinsdag 1 september 2009

Buiten de kerk geen heil

„Buiten de kerk geen heil.” Deze uitspraak van de kerk­vader Cyprianus houdt 21e-eeuwse christenen een spiegel voor, vindt Harald Overeem. Hij schreef dit in een opinieartikel in het Reformatorisch Dagblad. Met veel genoegen las ik het, en hier een opwarmer voor zijn wijze woorden:

„Extra ecclesiam nulla salus”, buiten de kerk geen heil. Met deze 1700 jaar oude uitspraak van bisschop Cyprianus uit Carthago zijn door de eeuwen uiteenlopende opvattingen onderbouwd. Zo werden deze woorden gebruikt om iets te zeggen over de eenheid van de kerk, over de apostolische successie van de rooms-katholieke bisschoppen, over andere godsdiensten, over de bemiddeling van het heil door de kerk. Waar het mij nu echter om gaat, is dat deze uitspraak ons een spiegel voorhoudt. REST IN HET RD HIER