
Herman Paul,
universitair docent geschiedfilosofie aan de Universiteit Leiden, pleitte onlangs, op het lustrumcongres van het CSFR-dispuut Ichthus in Rotterdam, voor een nieuwe contextualisatie van het christelijk geloof in Nederland. De cultuur is zo veranderd – postmodernisme is het wachtwoord – dat gezocht moet worden naar een herijking van het geloof in relatie tot die culturele filosofie.
Paul noemt een aantal belangwekkende zaken in zijn toespraak, die in samenvatting in het
Reformatorisch Dagblad van 17 oktober stond. Ik wil op een paar daarvan hier kort reageren.
In alle tijden hebben christenen deze vraag naar contextualisering gesteld. Toen Augustinus zijn Belijdenissen schreef, ging hij in gesprek met het Griekse denken van zijn tijd. In Calvijns Institutie klinkt het humanisme van de renaissance door. En de gereformeerde ambtsleer van Calvijn en Beza is toegespitst op vroegmodern Europa (een samenleving waarin vrijwel geen buitenkerkelijken bestonden).
Hij heeft daarin volstrekt gelijk. Zelfs als theologen en kerken menen dat ze ‘slechts de oude Bijbelse waarheid’ verkondigen, gebeurt dit altijd op een manier die reageert op en die tot op zekere hoogte past bij hun context. De vraag is niet
of we het evangelie contextualiseren, maar in hoeverre we dat
op een goede manier doen.
Paul zegt dan: Het “komt het erop aan onze culturele context te peilen. Niet om daar vervolgens klakkeloos in op te gaan, maar om te zien hoe geloof en kerk in deze situatie, tegen deze achtergrond, in de taal van deze tijd gestalte kunnen krijgen.” We moeten onze context peilen, ik ben het daar mee eens, maar hier wordt het wel lastig. Want wat is onze culturele context? Mijns inziens is dat niet alleen de prevalerende culturele filosofie van de tijd waarin we ons bevinden, maar net zo goed de culturele context van de kerk waartoe we behoren. En die van de Kerk elders op de wereld, en die van de Kerk uit vroeger tijden. We maken als Kerk immers onderdeel uit van die ‘gemeenschap van alle heiligen’?
Volgens mij kan goede contextualisatie nooit zo plaatsvinden dat het tot een breuk met de Kerk der (eigen) vaderen zorgt, of voor een breuk met de Vaders van de Kerk. Om het maar rechtuit te zeggen: we
kunnen, we
mogen geen theologie ontwikkelen die de eenheid van de kerk schaadt, ook al is dat missiologisch aantrekkelijk om postmoderne buitenkerkelijken te bereiken. Ik heb de indruk dat de kerken van de reformatie hier een probleem hebben. Ze staan veel meer open voor aanpassingen aan de filosofie van vandaag dan ze zelf beseffen, omdat ze niet werkelijk verankerd zijn in de kerk van het verleden. Ik vind het in elk geval opvallend dat Paul dit aspect niet noemt, hoewel hij verder goede criteria voor gezonde contextualisatie noemt.
Paul is van mening dat “postmoderne gereformeerden hun contextualisering onophoudelijk willen laten corrigeren door Gods Woord. Onophoudelijk, omdat dit proces van toetsing nooit is afgelopen. De Bijbel is immers veel rijker dan een formule waarmee je kerk en theologie kunt beoordelen. Ons verstaan van de Bijbel blijft voortdurend in beweging. Daarom komt het aan op trouw. Trouw om niet te roepen: „Nu wil ik een definitief antwoord!” maar om de beweging van Bijbel naar postmoderne tijd telkens opnieuw te maken.”
Ik heb moeite met deze formulering, en wel om twee redenen. Ten eerste is de suggestie dat de bijbel toch wel iets heel anders te zeggen heeft tegen mensen anno 2009 dan tegen de oude kerk. Wie de geschriften van de oude kerk leest, merk juist hoe hetzelfde geloof en dezelfde kwesties daar resoneren. Vragen over zonde, en verlossing, en wie Jezus Christus is, zijn van alle tijden. Dat we soms voor een wat andere formulering kiezen is duidelijk – maar die mag wat mij betreft nooit een streep zetten door hoe de Kerkvaders diezelfde kwesties aan de hand van de bijbel begrepen.
Mijn tweede, verwante, punt van kritiek is, dat de uitspraak van Paul wel erg suggereert dat we vanuit onze moderne tijd de bijbel moeten herlezen, en dat we de boodschap van de bijbel vandaag weer gestalte moeten geven in een soort voortgaande
dialoog tussen cultuur en bijbel. Ik vrees dat de protestantse geschiedenis laat zien, dat dit tot immer voortgaande versplintering van de Kerk van Christus leidt. Het gaat wat mij betreft niet om een dialoog; gezonde contextualisatie is het trialogisch proces. We moeten de kerk van het verleden en de wereldkerk ook in dit proces betrekken. Dat is een meer traditionele en communitaire vorm van theologiseren die de kerk samenhoudt en niet doet vallen voor elke nieuwe filosofische stroming.
Daarom zie ik liever dat in het proces van contexualisatie, niet alleen de bijbel als zodanig onze gesprekpartner is. Ik geloof in Sola Scriptura, maar de Schrift wordt niet goed begrepen door haar buiten de traditie van de Kerk te lezen. Weliswaar zegt Paul dat voor postmoderne gereformeerden de kerk een centraal thema is “omdat zij de gemeenschap is waarin ethische bezinning en morele vorming behoren plaats te vinden.” Dat ben ik van harte met hem eens; het proces van contextualisatie is niet een kwestie van bevlogen eenlingen, maar een proces dat zich in de boezem van de kerk zelf hoort af te spelen. Echter, als dat niet breder is dan onze eigen kerk waarmee we vertrouwd zijn, vrees ik dat dit onvoldoende weerstand oplevert tegen een contextualisatie die uiteindelijk het evangelie geen recht meer doet. Ik meen dat we ons niet kunnen veroorloven een theologie te ontwikkelen die zich buiten de kaders van de brede bedding van de theologie van de gehele kerkgeschiedenis plaatst. Ik ben benieuwd wat Paul’s ideeën hierover zijn.
Geheel terecht spreekt hij over de profetische rol van het evangelie in de cultuur: “Christenen worden niet geroepen zich aan te passen. Ze worden geroepen het Woord toe te passen op de situatie waarin ze leven. Aan de ene kant betekent dit dat postmoderne gereformeerden, vanuit het levensbesef van hun tijd, vragen zullen stellen aan de Bijbel waarover moderne gereformeerden nooit hebben nagedacht. Maar omgekeerd zullen ze, met de Bijbel in de hand, de postmoderne cultuur tegen de haren willen instrijken. Postmoderne gereformeerden zijn ook kritisch op het postmoderne levensgevoel.”
Juist het begrip van de kerk staat in het postmodernistische geloven onder druk. Het begrip van individualiteit is zo heilig in het postmodernisme, dat het moeite lijkt te hebben met het concept van gemeenschap. Paul wijst terecht op dit probleem. De gelovigen in de Kerk van Christus zijn niet een verzameling knikkers in een knikkerzak; het zijn aan Christus en aan elkaar verbonden mensen die niet kunnen bestaan zonder elkaar. Paul zegt het mooi:
Wie zijn individualiteit belangrijk vindt, heeft moeite met gemeenschappen. Daarom is postmodern gereformeerd-zijn, ten slotte, een oefening in toevertrouwen. Eerst aan God, vervolgens aan de gemeenschap van de kerk. Dit laatste, moet ik zeggen, vind ik zelf het lastigst. Het valt niet mee mijn eigen ik te verloochenen, mijn eigen ideeën ondergeschikt te maken aan die van mijn kerkelijke gemeente.
Heel terecht noemt hij de lakmoesproef voor een postmoderne gereformeerde kerk: of haar leden niet alleen trouw zijn en vertrouwen hebben, maar zich ook concreet durven toevertrouwen aan het lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Maar dan moet het daarbij wel heel duidelijk gaan om de gemeenschap van de hele Kerk, en niet alleen het kerkverband of de lokale gemeenschap die toevallig geheel die van onze eigen keus is.
Een (kortere, en vast betere) versie van dit artikel staat in het Reformatorisch Dagblad van 23 oktober 2009